In 2026 telt Nederland naar schatting nog rond de 570 coffeeshops. Dat is een flinke daling ten opzichte van de piek van ruim 1.400 vestigingen in de jaren negentig. Het aantal blijft geleidelijk afnemen door restrictiever lokaal coffeeshopbeleid, strengere toelatingseisen en het aflopen van vergunningen. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over de huidige stand van zaken.
Hoe is het aantal coffeeshops in Nederland de afgelopen jaren veranderd?
Het aantal coffeeshops in Nederland is de afgelopen decennia sterk gedaald. Waar in 1997 nog meer dan 1.400 coffeeshops actief waren, ligt dat aantal in 2026 op ongeveer 570. Die daling is het gevolg van bewust beleid: veel gemeenten hebben het maximumaantal vergunningen teruggebracht of besloten helemaal geen nieuwe vergunningen meer te verlenen.
De daling verliep niet in één rechte lijn. In de jaren negentig en vroege jaren 2000 voerden veel gemeenten actief beleid om het aantal vestigingen te beperken. Denk aan afstandscriteria ten opzichte van scholen, strengere eisen aan exploitanten en een vergunningenstop. Daarna stabiliseerde het aantal een tijdlang, maar de neerwaartse trend zette zich door. Coffeeshops die sloten, werden in de meeste gevallen niet vervangen door nieuwe.
Tegelijkertijd groeide de vraag naar cannabis. Dat betekent dat minder vestigingen meer klanten bedienen, wat de druk op bestaande coffeeshops vergroot en de vraag naar illegale alternatieven in de hand werkt.
Welke gemeenten hebben de meeste en minste coffeeshops?
Amsterdam heeft verreweg de meeste coffeeshops van Nederland, met tientallen vestigingen geconcentreerd in de binnenstad. Ook Rotterdam, Den Haag en Utrecht horen bij de gemeenten met een relatief groot aantal. Aan de andere kant zijn er honderden Nederlandse gemeenten zonder één coffeeshop, omdat zij nooit vergunningen hebben verleend of daar al eerder mee zijn gestopt.
De spreiding is dus sterk ongelijk. Grote steden met een historisch tolerant beleid concentreren een groot deel van alle vestigingen. Middelgrote gemeenten variëren sterk: sommige hebben bewust gekozen voor één of twee vestigingen als gecontroleerd alternatief, andere hanteren een nulbeleid. Kleine gemeenten en plattelandsgemeenten hebben vrijwel altijd nul coffeeshops.
Die ongelijke spreiding heeft gevolgen. Inwoners van gemeenten zonder coffeeshop zijn aangewezen op de illegale markt of moeten naar een naburige gemeente reizen. Dit staat bekend als het “waterbedeffect”: beperkingen in de ene gemeente leiden tot meer druk elders.
Wat bepaalt hoeveel coffeeshops een gemeente mag hebben?
Er is geen landelijk vastgesteld maximum voor het aantal coffeeshops per gemeente. Gemeenten bepalen zelf hoeveel vestigingen zij toestaan via hun lokale coffeeshopbeleid. De landelijke overheid stelt wel de kaders waarbinnen dit beleid moet passen, maar de concrete invulling ligt bij de gemeente zelf.
Gemeenten hanteren doorgaans een combinatie van criteria om het aantal te reguleren:
- Afstandscriteria: een minimum afstand tot scholen, jongerencentra of andere gevoelige locaties
- Maximumaantal vergunningen: een vaste bovengrens die de gemeente zelf vaststelt
- Ingezetenencriterium (I-criterium): alleen inwoners van Nederland mogen worden bediend
- Exploitantseisen: eisen aan de persoon of het bedrijf dat de coffeeshop exploiteert
- Locatiebeleid: aanwijzing van toegestane zones of juist uitsluitingsgebieden
Gemeenten die hun coffeeshopbeleid willen herzien, laten daarvoor vaak onderzoek uitvoeren. Dat helpt om de huidige situatie in kaart te brengen en te toetsen of het beleid nog aansluit bij de lokale praktijk.
Wat is het effect van het gesloten coffeeshopbeleid op het aantal vestigingen?
Het gesloten coffeeshopbeleid heeft direct bijgedragen aan de daling van het aantal vestigingen. Gemeenten die kiezen voor een nulbeleid verlenen geen nieuwe vergunningen, waardoor het aantal vanzelf afneemt zodra bestaande exploitanten stoppen. In gemeenten met een actief afbouwbeleid daalde het aantal vestigingen bewust en planmatig.
Het gesloten beleid kent echter ook keerzijden die in gemeentelijk onderzoek regelmatig terugkomen:
- Toename van illegale handel: minder legale verkooppunten betekent niet minder vraag. De vraag verschuift naar de illegale markt.
- Waterbedeffect: drugstoerisme en overlast verplaatsen zich naar buurgemeenten met een opener beleid.
- Minder zicht op gebruik: bij illegale verkoop is er geen toezicht op leeftijd, kwaliteit of hoeveelheid.
- Ondermijning: een groter illegaal circuit vergroot het risico op criminele netwerken in de wijk.
Gemeenten die hun coffeeshopbeleid evalueren, staan dan ook voor een complexe afweging: beperken vanuit openbare orde en leefbaarheid, of ruimte bieden om de illegale markt te verkleinen.
Wat betekent de proef met gereguleerde wietteelt voor het aantal coffeeshops?
De zogeheten Wet experiment gesloten coffeeshopketen, beter bekend als de wietproef of het experiment gereguleerde teelt, heeft direct invloed op het aantal actieve coffeeshops in deelnemende gemeenten. Deelnemende coffeeshops zijn verplicht om uitsluitend legaal geteelde cannabis te verkopen, wat betekent dat zij niet meer mogen inkopen via de traditionele, illegale achterdeur.
De proef loopt in een beperkt aantal gemeenten en heeft tot doel te onderzoeken of een gesloten keten van teelt tot verkoop haalbaar en wenselijk is. Voor het totale aantal coffeeshops in Nederland heeft de proef vooralsnog geen grote directe invloed: het gaat om een beperkte groep vestigingen in specifieke gemeenten.
Wat de proef wel doet, is de discussie over de toekomst van het coffeeshopbeleid nieuw leven inblazen. Als de proef aantoont dat gereguleerde teelt werkt, kan dat leiden tot landelijke beleidswijzigingen. Die zouden op termijn invloed kunnen hebben op het totale aantal vergunde vestigingen en de voorwaarden waaronder zij mogen opereren. Gemeenten volgen de resultaten dan ook op de voet, zeker als zij hun eigen beleid rondom coffeeshops willen actualiseren.
Hoe Breuer & Intraval helpt met coffeeshoponderzoek
Gemeenten die grip willen krijgen op hun coffeeshopbeleid, staan voor vragen die niet altijd makkelijk te beantwoorden zijn. Hoeveel vestigingen passen bij de lokale situatie? Wat zijn de effecten van het huidige beleid? En hoe verhoudt de gemeente zich tot omliggende gemeenten? Breuer & Intraval ondersteunt gemeenten en overheden al meer dan 30 jaar bij precies dit soort vraagstukken.
Wat Breuer & Intraval biedt op het gebied van coffeeshoponderzoek:
- Nulmetingen en monitors: inzicht in de huidige situatie als vertrekpunt voor beleid
- Beleidsevaluaties: toetsen of het bestaande coffeeshopbeleid zijn doelen bereikt
- Effectonderzoek: analyse van de gevolgen van beleidswijzigingen, zoals afstandscriteria of vergunningenstops
- Vergelijkend onderzoek: hoe pakken andere gemeenten vergelijkbare vraagstukken aan
- Advies bij de wietproef: ondersteuning voor gemeenten die deelnemen aan of zich oriënteren op het experiment gereguleerde teelt
De onderzoeken zijn altijd onafhankelijk, praktisch toepasbaar en afgestemd op de specifieke context van de gemeente. Benieuwd wat Breuer & Intraval voor uw gemeente kan betekenen? Neem contact op voor een vrijblijvend gesprek.

